Lijfrente uitkeren als DGA (2026): wanneer, hoe lang en tegen welk tarief
28 juli 2026 · 14 min leestijd
Van potje naar inkomen: de beslissing die elke DGA uitstelt
Jarenlang heb je jaarruimte benut, reserveringsruimte ingehaald en premies afgetrokken. Dan bereik je de AOW-leeftijd en ligt er ineens een andere vraag: hoe maak je van dat potje een inkomen?
De wet geeft je daar minder tijd voor dan veel DGA's denken. De opbouwfase eindigt uiterlijk op 31 december van het vijfde kalenderjaar na het jaar waarin je de AOW-leeftijd bereikt. Bereik je in 2026 de AOW-leeftijd, dan moeten je uitkeringen dus vóór 1 januari 2032 zijn gestart.
Mis je die deadline, dan behandelt de Belastingdienst het tegoed alsof je het hebt afgekocht: het volledige saldo wordt in één keer progressief belast, plus revisierente. Bij een tegoed van een paar ton is dat het duurste belastingmoment van je leven — en het is volledig vermijdbaar door op tijd te kiezen.
Dit artikel gaat over dat kiezen: tijdelijk of levenslang, bank of verzekeraar, en hoe je het tarievoordeel dat je bij de opbouw pakte ook bij de uitkering vasthoudt.
De €27.192-grens: tijdelijk (5 jaar) of levenslang (20 jaar)
De kernkeuze bij het uitkeren is de looptijd, en die is gekoppeld aan een hard bedrag.
Tijdelijke oudedagslijfrente. Wil je het tegoed in een kortere periode laten uitkeren, dan mag dat vanaf het jaar waarin je de AOW-leeftijd bereikt, met een looptijd van minimaal 5 jaar. Maar er zit een plafond op: alle tijdelijke oudedagslijfrentes samen mogen in 2026 maximaal €27.192 per jaar uitkeren.
Boven de grens: minimaal 20 jaar. Komt je jaarlijkse uitkering boven dat bedrag, dan eist de wet een looptijd van minimaal 20 jaar (bancair). Een tegoed van €300.000 kun je dus niet in 5 jaar leegtrekken — de wetgever wil oudedagsvoorzieningen over de oude dag uitsmeren, niet er een vroegpensioen-bonus van maken.
Rekenvoorbeeld. Stel: tegoed €130.000. In 5 jaar uitkeren betekent €26.000 per jaar — dat past onder de grens, dus het mág. Maar wil je €160.000 in 5 jaar (€32.000 per jaar), dan zit je erboven en word je naar de 20-jaarsvariant geduwd: circa €8.000 per jaar, twintig jaar lang.
De grens wordt jaarlijks geïndexeerd; controleer het actuele bedrag op belastingdienst.nl voordat je tekent.
Bank of verzekeraar: wat er met het restant gebeurt als je overlijdt
Dezelfde uitkering kun je bij een bank (bancaire lijfrente) of een verzekeraar (verzekerde lijfrente) onderbrengen, en het verschil wordt pas echt zichtbaar bij overlijden.
Bancair. De uitkering loopt een vaste periode. Overlijd je voordat de termijn is verstreken, dan gaan de resterende termijnen naar je erfgenamen. Het geld is dus nooit "weg" — maar de uitkering stopt wel aan het einde van de looptijd, ook als je dan nog leeft.
Verzekerd. Een levenslange verzekerde lijfrente keert uit zolang je leeft — word je 104, dan krijg je tot je 104e. Daar staat tegenover dat bij eerder overlijden het restant in beginsel aan de verzekeraar vervalt (tenzij je een nabestaandendekking meeverzekert, wat premie kost).
De afweging is dus: langlevenrisico afdekken (verzekeraar) versus vermogen voor erfgenamen behouden (bank). DGA's met een gezonde BV en ander vermogen kiezen in de praktijk vaak bancair — het langlevenrisico is voor hen een luxeprobleem, en de nalatenschapswaarde telt zwaarder. Wie weinig ander pensioen heeft en van de uitkering afhankelijk is, moet het verzekerde alternatief serieus doorrekenen.
Vergelijk in elk geval meerdere aanbieders: de tarieven en kosten lopen fors uiteen, en je zit er 5 tot 20 jaar aan vast.
Het tarievoordeel: aftrekken tegen hoog, uitkeren tegen laag
De hele lijfrenteconstructie draait om één fiscale asymmetrie, en die verzilver je pas in de uitkeringsfase.
Tijdens je werkzame leven trok je de premies af tegen je marginale tarief — voor een DGA met een salaris rond de gebruikelijk-loonnorm al gauw zo'n 37-38%, en boven de topgrens 49,5%.
De uitkeringen worden te zijner tijd belast als box 1-inkomen, maar er is één groot verschil: vanaf de AOW-leeftijd betaal je geen AOW-premie meer. Die premie zit voor AOW-leeftijd in het tarief van de eerste schijf verwerkt; na de AOW-leeftijd valt dat deel weg en is het tarief over de eerste schijf aanzienlijk lager. De actuele tarieven per schijf staan op belastingdienst.nl — het exacte voordeel hangt af van je totale inkomen naast de lijfrente.
Daarom loont spreiden. Elke euro die je in een jaar boven de eerste schijf laat uitkomen, wordt tegen het hogere tarief belast. Een tijdelijke lijfrente die net onder de schijfgrens blijft, gecombineerd met een langere looptijd voor de rest, houdt het gemiddelde tarief laag. Dit is een rekensom die je één keer goed moet maken — met je AOW, eventueel ODV-uitkeringen en overig box 1-inkomen erbij — en die bepaalt duizenden euro's verschil over de looptijd.
En de dure uitweg voor de volledigheid: afkopen kan bijna altijd, maar is bijna altijd de slechtste optie. Het hele tegoed wordt dan in één jaar progressief belast — precies de piek die je twintig jaar hebt vermeden — plus revisierente bovenop de aanslag.
Heb je ook een ODV in je BV? Andere regels, hardere deadline
Veel DGA's hebben naast hun lijfrentes nog een oudedagsverplichting (ODV) in de BV staan — het restant van het pensioen in eigen beheer dat tussen 2017 en 2019 is omgezet. Die volgt zijn eigen spoor, en dat spoor is strakker.
De ODV keert verplicht in 20 jaar uit, in gelijke termijnen, jaarlijks opgerent met het U-rendement. Je mag de uitkeringen maximaal 5 jaar vóór je AOW-leeftijd laten ingaan — de looptijd wordt dan verlengd met de jaren die je eerder start.
De deadline is hier niet "vijf jaar na", maar uiterlijk twee maanden ná het bereiken van de AOW-leeftijd. Start de uitkering te laat, dan wordt de hele ODV-aanspraak in één keer progressief belast — de fiscale sanctie die de hele eigen-beheer-afwikkeling juist moest voorkomen.
Praktisch betekent dit voor een DGA met beide potjes: de ODV-datum ligt vast en komt het eerst; je lijfrente-keuzes plan je eromheen. De ODV-termijnen zijn box 1-inkomen naast je AOW en lijfrente-uitkeringen — neem ze mee in de schijfplanning uit de vorige paragraaf, anders duwt de ODV je lijfrente onbedoeld een schijf omhoog.
Een alternatief dat de starre 20-jaarstermijn omzeilt: de ODV omzetten in een lijfrente bij een bank of verzekeraar. Dat kan tot uiterlijk het jaar waarin je AOW-leeftijd-plus-5 bereikt en geeft je alsnog de flexibiliteit van de lijfrenteregels — inclusief de bancaire variant waarbij het restant naar je erfgenamen gaat.
Zo pak je het aan (en wat FINEO hierin doet)
De uitkeringsfase is geen product dat je koopt maar een planning die je maakt. De volgorde:
1. Inventariseer alle potjes. Lijfrentes (bank én verzekeraar, ook die vergeten polis uit 2009), ODV in de BV, en je AOW-datum. De einddatum van elk potje bepaalt je speelruimte.
2. Leg de deadlines naast elkaar. ODV: uiterlijk 2 maanden na AOW-leeftijd. Lijfrentes: uiterlijk het vijfde jaar na je AOW-jaar. Wie op tijd begint heeft jaren speelruimte; wie het laat versloffen, wordt in een verplichte afwikkeling gedrukt.
3. Reken de schijven door. AOW + ODV-termijnen + lijfrente-uitkeringen + eventueel dividend = je jaarinkomen. De kunst is elk jaar zo veel mogelijk in de laagbelaste eerste schijf te houden.
4. Kies per potje bank of verzekeraar — en vergelijk offertes; het scheelt structureel geld over 20 jaar.
FINEO berekent in het Adviescentrum je jaarruimte en reserveringsruimte met je echte cijfers en signaleert via de Fiscale Autopilot wanneer premiestortingen fiscaal aantrekkelijk zijn. De uitkeringsfase zelf — de definitieve keuze van looptijden en aanbieders — is maatwerk waarvoor we je naar een pensioenadviseur of fiscalist verwijzen. Wat wij doen is zorgen dat je met een compleet en kloppend cijferbeeld aan die tafel zit, in plaats van met een schoenendoos aan polissen.
_Dit artikel beschrijft de algemene regels voor 2026 en is geen persoonlijk advies. Controleer actuele bedragen en tarieven op belastingdienst.nl._
Veelgestelde vragen
Wanneer moet mijn lijfrente uiterlijk ingaan?
De uitkeringen moeten uiterlijk starten in het vijfde kalenderjaar na het jaar waarin je de AOW-leeftijd bereikt. Bereik je in 2026 de AOW-leeftijd, dan moeten ze vóór 1 januari 2032 zijn gestart. Te laat kiezen betekent dat het volledige tegoed in één keer progressief wordt belast, plus revisierente.
Hoeveel mag een tijdelijke oudedagslijfrente in 2026 uitkeren?
Alle tijdelijke oudedagslijfrentes samen mogen in 2026 maximaal €27.192 per jaar uitkeren, met een looptijd van minimaal 5 jaar en een ingang op zijn vroegst in het jaar waarin je de AOW-leeftijd bereikt. Wil je per jaar méér laten uitkeren, dan geldt een minimale looptijd van 20 jaar.
Wat is het verschil tussen een bancaire en een verzekerde lijfrente?
Een bancaire lijfrente keert een vaste periode uit; overlijd je eerder, dan gaan de resterende termijnen naar je erfgenamen. Een verzekerde levenslange lijfrente keert uit zolang je leeft, maar bij eerder overlijden vervalt het restant in beginsel aan de verzekeraar. Kort: verzekeraar dekt het risico dat je lang leeft, de bank bewaart de waarde voor je nabestaanden.
Wanneer moet de ODV-uitkering ingaan?
De oudedagsverplichting moet uiterlijk twee maanden na het bereiken van je AOW-leeftijd ingaan en keert dan verplicht in 20 jaar uit, in gelijke termijnen met jaarlijkse oprenting. Eerder mag ook, tot maximaal 5 jaar vóór de AOW-leeftijd — de looptijd wordt dan met die jaren verlengd. Te laat ingaan betekent dat de hele aanspraak in één keer progressief wordt belast.
Waarom is uitkeren na de AOW-leeftijd fiscaal voordelig?
Vanaf de AOW-leeftijd betaal je geen AOW-premie meer, waardoor het belastingtarief over de eerste schijf aanzienlijk lager is dan tijdens je werkzame leven. Je hebt de premies destijds afgetrokken tegen je hoge marginale tarief en laat de uitkeringen nu belasten tegen dat lagere tarief — die asymmetrie is de kern van het lijfrentevoordeel. Spreiden over de schijven houdt het gemiddelde tarief laag.